inloggen

De zegen

Dit is het drama in zakformaat van slager Jan Tiel op de hoek van de straat die altijd zo graag personeel hebben wou maar het nooit verder bracht dan hijzelf en z'n vrouw, twee lieve kinderen, een hond en een kat, ziedaar, dat was alles wat Jan Tiel bezield.

Maar toch stond hij vaak aan het hakblok te dromen hoe fijn het zou zijn als er iemand zou komen die zeggen zou, ''Tiel je komt in de krant, want wat jij hebt gedaan dat is toch frappant.
Je komt voor de radio en op de tv,
je krijgt een medaille kerel'' maar nee.
Hij was en bleef steeds dezelfde schlemiel,
gewoon Jan de slager, gewoon Jan Tiel.

Maar op eenmaal waren z'n kansen gekeerd,
hij had wat gedaan, hij had iets gepresteerd.
En wat dat nou was, och wat geeft dat nou,
hij werd met zijn vrouw, kroost, hond, en kat op het stadhuis verwacht.
Maar toen hij daar kwam toen stonden er acht,
die net als hij iets hadden gedaan.
Kijk dat was nou jammer, maar goed Jan ging staan aan het eind van de rij,
en dat was nou de strop, toen hij aan de beurt kwam waren ze op,
de vetleren medailles.
En wat kreeg Jan Tiel, allen maar een hand, anders niks, de schlemiel.
Ja zeker, ja zeker maar dat gaat niet door, zo riepen de anderen helden in koor,
dit is gemeen, we loten erom.
Hier liggen de lootjes en wie er zo dom is om de verkeerde keus te plegen,
die krijgt geen medaille, alleen maar de zegen.
En Jan mocht de eerste zijn die het probeerde,
hij pakte en pakte en trok de verkeerde.

Toen drupte er iets stilletjes iets op zijn mouw,
niemand die het zag alleen Jan z'n vrouw.
Ze kuste zijn tranen weg met teder en warm,
een kleine medaille aan elke arm,
een kop van de kat en een lik van de hond dat was z'n beloning.
En toen hij daar stond dacht hij:
''dit was dus de Zegen, ach lieve Heer,, zoveel blijk van liefde wat wil ik nog meer

Vergelijkbare gedichten