inloggen

Onze Gerrie

Een uur nadat ik geboren was,
schonk mijn moeder het leven
aan een kabeljauw van het mannelijk geslacht.
Wij hielden onze Gerrie eerst in een zinken emmer
en daarna in een zinken tobbe in de achterkeuken.
Iedere avond kwam hij met zijn kopje tegen mijn hand aan duwen,
tot wij beiden in slaap vielen en droomden van de Stille Zuidzee.
Toen onze Gerrie te groot werd, beslisten mij ouders hem
te water te laten aan de pier van Oostende.
Hij zwom onmiddellijk het zeegat uit, terwijl wij stonden te zwaaien.
Heel in de verte sprong hij nog even zilverwit op over een grote golf.
Jaarlijks gingen wij vanaf toen met vakantie naar Oostende
in de hoop op een ontmoeting met onze Gerrie, maar tevergeefs.
Wij hebben hem nooit meer terug gezien.
Wellicht is hij inmiddels stamvader geworden
van een groot nageslacht aan zeemeerminnetjes.
’s Avonds, als je geluk hebt, hoor je ze soms zingen,
net onder het geluid van de branding.

Vergelijkbare gedichten