inloggen

ZWARTE KRAAI II

Vreemd vind ik het om over zonde te spreken,
zondigen, je bekeren, boeten, vergeven worden door God,
dat rijtje maakte me altijd somber,
ben gelijk de olielamp en de mot,
ik weet donders goed dat ik kwaad doe en geur als amber.

Het rijtje dat mijn vader me leerde was
fouten maken, ze erkennen, ze verbeteren,
en je goed erbij voelen, niet in Gods mestvaalt draaien,
dan was je ook niet afhankelijk van die zwarte kraaien.
Dankbaar ben ik dat hij me bevrijdde van de ketenen Gods.

Geen afhankelijkheid van de zwarte kraai met kalot,
zogenaamd een door God gezonden donquischot.
Want fouten, we maken ze allemaal,
sommigen maak ik steeds weer zodat ik ervan baal,
met mijn karakterfouten sla ik bij anderen diepe wonden.

Ik geloof niet gauw iets van religie
en als kind op de zondagsschool lag ik dwars.
“Jezus verrichtte wonderen”, zei de juf
en ik riep: “Dat bestaat niet, dat kan niet, dat is suf”.
Ja, ik kleine duivel was toen al exceptioneel wars.

Ze was ontredderd, in verlegenheid gebracht
en ik had een triomfantelijk gevoel de hele dag,
al snel noemde zij mij ondeugend, een halve zool.
Later werd ik onderwijzer op een openbare school
in een dorp waar niet wordt geneukt op zondag.

In dat zwarte kousendorp met hypocriete dominee
die alleen bad voor christenkinderen
vroeg ik, of ik zijn gebed niet harder nodig had dan zij.
Hij streek zenuwachtig door zijn haar en zei:
“Ik moet naar een zieke”, en ik kon zijn vlucht niet verhinderen.

In dwars liggen schep ik nog steeds behagen,
als mijn zus, chic gekleed, tot verwarring door mij geprikkeld,
met alles erop en eraan naar de kerk toe gaat,
dan moet ik even langs de neus weg zeggen: “Zo Kaat,
je ziet er goed uit, maar Jezus lag in doeken gewikkeld”.

En als mijn broer trots vertelt
over zijn tweede huis in Frankrijk vraag ik losjes
of dat strookt met de ideale christelijke idealen.
Steeds heb ik behoefte mensen onzeker te maken
en dat kost me vriendschappen met bosjes.

Ik zou een wachter bij mijn lippen moeten zetten
maar kwaad spreken geeft me heimelijk plezier
en dat plezier kan ik niet missen.
Ik wil me niet verbeteren, wil fouten wel wissen,
maar ben gelijk de priester en de dominee een dekstier

Vergelijkbare gedichten